Drinkwater mag niet volgende prooi worden

De drinkwatervoorziening in Nederland is in alle opzichten uniek. We zijn het enige land ter wereld waar het gebruik van chloor bij de drinkwatervoorziening volledig is uitgebannen. We zijn ook het enige land waar drinkwater onthard wordt, waardoor het water aangenaam in het gebruik is en zeepverbruik en kalksteenafzettingen beperkt zijn.

Verder behoort Nederland bij de weinige landen waar je het water uit de kraan ook daadwerkelijk kunt opdrinken. We hebben het laagste lekverlies ter wereld en een zeer hoge leveringszekerheid. Ten slotte leveren de waterbedrijven een actieve bijdrage aan de zorg voor natuur en milieu in de waterwingebieden en zijn ze gericht op preventie en het behoud van schone bronnen. Kortom, we hebben het op dit punt goed voor elkaar in Nederland en laten we dat ook zo houden.

ABN AMRO

Wat zijn de potentiële bedreigingen voor de drinkwatervoorziening in de toekomst? De eerste vraag die ik daarbij zou willen stellen is of de drinkwaterbedrijven ooit het doelwit zouden kunnen worden van de grote internationale opkoopfondsen en consortia. Onze voormalige nationale trots, ABN AMRO, werd binnen korte tijd de prooi van het internationale grootkapitaal. En PCM, moederbedrijf van onder meer de Volkskrant, werd verkocht aan het Engelse hedgefonds APAX. Het bedrijf werd vervolgens kaalgeplukt en opgezadeld met een schuldenlast van honderden miljoenen. Enkele jaren geleden zijn de energiebedrijven Essent en Nuon voor vele miljarden verkocht aan buitenlandse partijen. De kas van gemeenten en provincies is daardoor wel gespekt, maar de kwaliteit en de prijs van de energievoorziening zullen er ongetwijfeld niet beter van worden.

Kunnen de drinkwaterbedrijven net als ABN AMRO en de energiebedrijven verkocht worden aan een buitenlandse partij of leeggeroofd door een hedgefonds? Hoe onwaarschijnlijk dit ook lijkt, het is goed om te bedenken dat een drinkwaterbedrijf een zeer interessant product is voor een internationale belegger. De meeste bedrijven hebben een flink eigen vermogen en schrijven goede financiële cijfers. Daar komt bij dat drinkwater een natuurlijk monopolie is en het in principe heel eenvoudig zou zijn om de winst op te schroeven door het tarief te verhogen of te bezuinigen op investeringen en onderhoud en personeel. Op een veiling zouden de drinkwaterbedrijven derhalve makkelijk 3 tot 4 miljard euro opbrengen.

Nu zijn de gemeentelijke en provinciale eigenaren van de drinkwaterbedrijven momenteel gelukkig niet geneigd om de aandelen te koop aan te bieden en in de nieuwe drinkwaterwet zal het publieke eigendom zelfs vastgelegd worden. Maar hoe zeker zijn deze zaken op de langere termijn wanneer we in een volgende, Europese, crisis belanden en de overheid weer dringend om geld verlegen zit? We hebben tenslotte bij de verkoop van de energiebedrijven gezien dat overheden het heel moeilijk vinden om nee te zeggen tegen een zak met geld. Laten we hopen dat het gezonde verstand zal zegevieren en de Nederlandse overheden zich zullen blijven houden aan de uitspraak van Aristoteles (384-323 VC): „Men dient het stadsbestuur te beoordelen naar de wijze waarop dit zorgdraagt voor de drinkwatervoorziening.”

Benchmarken

Voor de komende jaren hebben we meer reden om ons zorgen te maken over de effecten van de talloze fusies. Veertig jaar geleden telde Nederland nog meer dan 150 drinkwaterbedrijven, nu zijn dat er nog 10. Het personeelsbestand van de bedrijven is in de afgelopen tien jaar meer dan gehalveerd. Je hoeft geen profeet te zijn om te voorspellen dat dit niet zo door kan gaan en dat we het einde van deze consolidatie bereikt hebben.

Met name het benchmarken (het onderling vergelijking van de bedrijven) heeft een enorme impact gehad. In eerste instantie heeft dit door leereffecten positief gewerkt. De kosten zijn de afgelopen twaalf jaar met 24 procent gedaald, terwijl de waterkwaliteit nog steeds uitstekend is, evenals de klanttevredenheid en de milieuscore. Toch is de grens van het benchmarken nu wel bereikt. Doordat verreweg de meeste aandacht uitgaat naar de financiële paragraaf, komen steeds meer bedrijven voor dilemma’s te staan hoe nog verder te bezuinigen. Het risico wordt steeds groter dat men te ver gaat snijden, waardoor de kwaliteit onder druk komt te staan.

De nieuwe managers letten vooral op de kosten, waardoor kwaliteit en vakkennis –vanouds sterke troeven van de waterbedrijven– verloren dreigen te gaan. Her en der is het al erg dun gesteld met de bezetting en worden steeds meer taken uitbesteed, waardoor men in noodsituaties niet meer kan ingrijpen. Verder reorganiseren en bezuinigen op personeel is onverstandig. We komen dan in een negatieve spiraal die het vertrouwen in de drinkwatervoorziening zal ondermijnen en zal leiden tot ongewenste maatschappelijk effecten en kosten.

Code

De directeuren van de drinkwaterbedrijven waren tot voor kort altijd civiel ingenieurs. Zij hadden vakkennis en visie en namen de juiste beslissingen over kosten en kwaliteit. Maar de afgelopen jaren zijn ook directeuren benoemd van buiten de sector. Dit zijn ongetwijfeld prima algemene managers, maar zij beschikken niet over inhoudelijke kennis van het vakgebied. In de raden van commissarissen is de inhoudelijke kennis bij de meeste bedrijven ook minimaal.

Ik pleit daarom in aansluiting op de alom gebruikte code-Tabaksblatt en de code Banken voor een code Waterbedrijven, waarin wordt geborgd dat directies en raden van commissarissen van waterbedrijven ook inhoudelijke kennis op hoog niveau bezitten, zodat de juiste afweging van kosten en kwaliteit gemaakt kan worden, zonder dat het bedrijf ”uitgebeend” wordt en de eigen kennis, weerbaarheid en beroepstrots verloren gaan.

De auteur is emeritus hoogleraar drinkwatervoorziening aan de Technische Universiteit Delft. Dit artikel is een samenvatting van een deel van zijn gisteren gehouden afscheidsrede.